Thuisthuis
Jasje Dasje column nr. 3 – gepubliceerd in de Streeknieuws van 21 december 2011
Waarschuwing van de schrijver: De volgende tekst bevat een hoog Joris Linssen gehalte.
De Nieuwe Toren staat er nog. Dat is altijd een geruststellende gedachte. De Bovenkerk baadt nog steeds in het oranjegele licht van haar monumentenverlichting, de Stadsbrug is nog steeds wit en het IJsselfront is nog steeds mooi. Mooier zelfs. Een minuut sta ik vanaf het koude perron te kijken naar het schemerige Kampen waarna ik me bedenk dat ik de bus nog moet halen. Ik gooi mijn rugtas over mijn schouder en loop snel naar de bushaltes achter het station. Gelukkig, bus 12 staat er nog. Net als het oude raadshuis, net als de bomen langs de IJsselkade en net als de gekraakte stadsvilla. Dat laatste is nog wel het meest wonderlijk. Bij de derde halte stap ik uit. Gelukkig, casa di Duiveman staat er ook nog.
Ik steek het sleutel in het slot maar voordat ik hem om kan draaien wordt de deur al opengedaan. “Daar is onze wereldreiziger,” zegt mijn vader breed grijnzend. Als ik over de drempel stap word ik omhelst door mijn moeder. De verloren zoon is terug. De tafel is al gedekt en er komt stoom van de pannen. Vanavond geen opwarmlasagne maar aardappels, boontjes en rundvlees.
Albertusmeisjes (studentes van studentenvereniging Albertus Magnus, red.) heb ik het wel eens horen afkorten tot THTH. Persoonlijk vind ik THTH niet echt fijn bekken, dus ik houd het maar op de volledige term: thuisthuis. Een student heeft een thuis, het gebouw waar zijn kamer gevestigd is, en een thuisthuis. Thuisthuis is het ouderlijk huis en omringende stad, dorp of eiland. Elke vrijdag zitten de treinen vanuit Groningen vol met studenten die op weg zijn naar hun ouders. De meesten met een grote sporttas vol was.
Thuisthuis is een belangrijke plek in het leven van een student. Het is zoiets als de pitstop in een Formule 1 race. Je eet er weer eens gezond een AVG’tje (aardappel-vlees-groente) en je lichaam krijgt weer twee dagen uitgebreid de tijd om alcohol, nicotine en bedorven eenpansmaaltijden af te stoten. Thuisthuis is ook de plek waar je hoog opgelopen studieachterstanden wegwerkt en, als deze relatie nog uit een prestudentikoos tijdperk stamt, je vriend of vriendin weer ziet. Eindelijk. Daarnaast is het overigens ook een uitstekende gratis wasserette en printshop. Pap en mam laten je liefdevol hun hele cartridge leegprinten zodat je maandag met schone kleren en een vuistdikke stapel stencils terug naar Groningen kan.
In de korte tijd die ik nu in Groningen woon ben ik er al helemaal ingeburgerd. Ik ben een onderdeel van Groningen geworden en Groningen een onderdeel van mij. Ik houd van haar harde accent, van haar Gotische gevels en ik houd van haar kroegen variërend van bruin, Irish tot hippe yuppentent. Ik zing uit volle borst de ode aan het Gras Van Het Noorderplantsoen mee. Maar toch, Kampen is ergens iets onuitroeibaars dat in je blijft steken als een Eskimoharpoen met weerhaken in een walvis. Het is alleen niet zo pijnlijk.
Ik weet nog het moment dat ik voor de eerste keer alleen naar Amsterdam reisde. Via Hilversum kwam ik aan op Amsterdam Centraal. De treindeuren draaiden open en ik huppelde over het perron van blijdschap. Ik huppelde als een hippie die de Age of Aquarius aan zag breken. Ik ademde de lucht van grootstedelijke smog, de lucht van de Turkse meneer naast mij die veel knoflook had gegeten en bovenal de lucht van vrijheid. Eindelijk, ik was in de beschaving. De Grote Stad waar het allemaal gebeurde. Ver weg van die algeprezen ‘dorpse mentaliteit’ van de stad die vooral geen dorp genoemd wil worden. Hoe anders was dat dynamische Amsterdam in vergelijking met het ingeslapen provinciestadje waar ik vandaan kwam.
Vier reizen naar Amsterdam later was ik blij als ik weer in Kampen was. Leuk hoor, Amsterdam. Mooie gebouwen, geinige kapsels, dat soort dingen. Maar nee, ik zou er nooit willen wonen. Doe mij dan toch maar Groningen of Kampen. Of beter nog: beiden tegelijkertijd. Groningen is vrijwel perfect. Het is niet zo klein als Kampen, ook iets groter dan Zwolle maar weer niet zo immens als Amsterdam. Het is te overzien en toch is er meer dan genoeg te doen.
Ursel de Geer zou zeggen: ’t is hier fantasties. Dat is Groningen: fantasties. Maar toch ga ik de meeste weekenden weer terug naar Kampen. “La perfection est toujours une combinaison,” zei een Franse chefkok ooit. Doordeweeks heb ik het woelige studentenbestaan van Groningen en in het weekend het ontspannende leven van Kampen. Beide steden hebben elkaar nodig om gewaardeerd te worden.
Dit bedenk ik allemaal terwijl ik in de kerstboom op zoek ben naar een losgedraaide lampje. Vanuit de keuken komt de heerlijke lucht van een kerstcake die in de oven staat. Ik weet dat ik over vier jaar vast niet meer zo vaak in Kampen kom. Als je jong, ambitieus en hoger opgeleid bent is het niet the place to be. Dat moet je ook niet willen. Je wilt de wereld zien, de wereld die voor jou zoveel verder gaat dan Overijssel en misschien wel verder dan Nederland.
Maar wie weet word ik ooit wel als de oude meneer die in één van de coupés van het Kamper Lijntje wordt geciteerd. Naast het citaat staat een foto van de Torenstraat bij zonsondergang. De zinsconstructie is wat vreemd maar de zin is veelzeggend: “Ik ben lang weggeweest maar Kampen is prachtig.” Hoezeer ik ook geniet van het actieve stadse leven, het slaperige maar prachtige Kampen zal altijd een beetje mijn thuisthuis blijven.
De lampjes van de kerstboom flitsen plots weer aan. Dat lampje zat dus los.
Baadt
Aangepast. Dankje
Heerlijk herkenbaar en zo goed dat de jongere generatie dat ook overkomt.