Historisch licht op de nacht

Heb je het gisteravond gemerkt? Dat het echt donker was? In veel Nederlandse steden werd gisteren de Nacht van de Nacht georganiseerd. Tijdens dit jaarlijkse evenement laten bedrijven en overheidsinstanties onnodig licht voor één keertje uit. ’s Nachts rijden we door verlichte fietstunnels, laten we onze hond tegen lantaarnpalen plassen en we eten tomaten die gekweekt zijn onder lampen. Je staat er niet vaak bij stil hoeveel verlichting er om ons heen is. Tijdens een echt donkere nacht merken we pas wat duisternis is.

Met de Nacht van de Nacht willen de natuur- en milieuorganisaties aandacht vragen voor lichtvervuiling. Al ons kunstlicht zorgt voor ecologische schade, omdat dieren en planten hun biologische klok verliezen. Maar ik denk dat we ook iets anders kunnen leren van deze georganiseerde duisternis. Mensen zijn nachtdieren geworden. En die Nacht van de Nacht is ook een beetje een historische re-enactment.

Een paar weken geleden besprak ik met eerstejaarsstudenten een artikel van nachthistoricus Craig Koslofsky. Koslofsky stelt dat in zeventiende- en achttiende-eeuws Europa een revolutie plaatsvond: nocturnalisatie. Met deze term bedoelt Koslofsky dat de nacht steeds meer een geaccepteerd tijdstip voor sociaal verkeer werd. Nadat de adellijke hovelingen de nacht hadden omarmd voor hun feesten en partijen werd het voor nette burgers ook oké om ’s nachts over straat te lopen, koffiehuizen te bezoeken en bij elkaar op visite te gaan.

Strijd om de nacht

Om die verschuiving mogelijk te maken moest er straatverlichting komen. Parijs (1667) en Amsterdam (1669) waren de eerste steden met publieke straatverlichting, andere steden volgden snel. Door deze olielampen werd de nacht gekoloniseerd door de burgerij, stelt Koslofsky. Prostituees, jonge mannen en kroeglopers werd de mantel van de duisternis die hun ‘wangedrag’ verhulde afgenomen. Regelmatig werden er lantaarnpalen vernield. Volgens Koslofsky was dit niet zomaar vandalisme, maar verzet. Er was strijd om de macht over de nacht.

Koslofsky stelt dat in zeventiende- en achttiende-eeuws Europa een revolutie plaatsvond: nocturnalisatie.

De eerstejaarsstudenten waren enthousiast over het artikel. Eén van hen merkte op dat hij nog nooit zo over de nacht had nagedacht. ‘Vroeger had je dus een kaars en een olielamp, maar dat was het. Toen was het echt donker.’ Een andere observeerde scherp dat de opkomst van verlichting niet alleen sociale effecten kon hebben, maar ook economische. Immers, met meer licht kun je ook langer werken. Zonder kunstlicht is er geen 24-uurs-economie.

Niets is vanzelfsprekend

Het mooie van de studie geschiedenis is dat deze je bewust maakt van het feit dat alles, maar dan ook alles, een geschiedenis heeft. Zelfs de nacht. Uiteraard is de nacht een universeel, natuurlijk verschijnsel veroorzaakt door de rotatie van de aarde. Echter, hoe mensen met dat natuurlijke gegeven om zijn gegaan is niet universeel. Door de vroegmoderne edelman, burger en student werd de nacht fundamenteel anders beleefd dan dat wij deze nu beleven.

Als iets duidelijk wordt voor geschiedenisstudenten is dat niets vanzelfsprekend is. Juist die verwerping van vanzelfsprekendheid geeft historici hun vermogen tot kritisch nadenken. De verwerping van vanzelfsprekendheid maakt het dus zelfs mogelijk om historisch licht op de nacht te werpen.

Ook interessant

Koslofsky is niet de enige historicus die schrijft over de geschiedenis van de nacht. De afgelopen jaren zijn er meerdere interessante boeken verschenen over dit thema, waaronder een geschiedenis van nightwalking in de stad Londen.

Voor meer goede voorbeelden van hoe technologie onze ervaring van de wereld kan veranderen (of juist niet), luister eens naar de podcast The Secret History of the Future van The Economist en Slate. Vooral aflevering 6, ‘From zero to selfie’, is een aanrader.

Afbeelding: Nacht, Jan van de Velde (II), 1603 – 1641, Rijksmuseum, Amsterdam, RP-P-OB-15.388

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *